Welkom op het forum van startpagina!

Dit forum staat op alleen-lezen. Je kan hier informatie zoeken en oude berichten terugvinden, maar geen nieuwe berichten plaatsen.

Meer informatie op bijbel.startpagina.nl

Tjarko Evenboer over de wereldwijde vloed

  • Eliyahu

    Bs'd

    http://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=Kt12OM0Fy-0

  • Frederik D

    Onze geachte weledelgeleerde heer Evenboer heeft vast ook het tastbare hemelgewelf en de sluizen daarin ontdekt en ook ontdekt hoe een houten ark die gigantische krachten van de Zondvloed heeft overleefd. Ook heeft hij ontdekt waarom geen van de opvarenden kapot is geslagen tegen een wand of balk toen de Zondvloedstorm op de arme Ark beukte, beukte en beukte. Nobelprijzen in fysica, chemie en biologie zijn hem vast ten deel gevallen. Geniaal. En het moet wel geniaal zijn omdat hij lof kreeg toegezwaaid van Ben Hobrink, die zijn hand niet omdraait voor plagiaat en frauduleuze bijbelvertalingen. Formidabel, kerel, formidabel.

    http://www.youtube.com/watch?v=SFgmLyPaiaI

  • Frederik D

    Reconstructie van prehistorisch DNA weerlegt kritiek op evolutietheorie

    Auteur: Karin Voordeckers et al.

    ​Wetenschappers van VIB, KU Leuven, UGent en Harvard zijn erin geslaagd om DNA en eiwitten van prehistorische gistcellen te reconstrueren. Zo konden ze nagaan hoe genen ontstaan en gedurende meer dan 100 miljoen jaar evolueerden naar hun huidige vorm.

    Kevin Verstrepen (VIB/KU Leuven): “Deze resultaten geven een antwoord op een vaak gebruikt argument van tegenstanders van de evolutietheorie: dat de kans op het ontstaan van een nieuwe eigenschap, en dus een werkzaam nieuw stuk DNA, vergelijkbaar is met de kans dat een moderne jumbojet zich spontaan zou assembleren uit een paar brokstukken… Veel wetenschappers stelden voor dat nieuw functioneel DNA niet uit het niets ontstaat, maar geleidelijk wordt gebouwd uit een kopie van een reeds bestaand stukje functioneel DNA. Door de reconstructie van een stukje prehistorisch DNA dat verschillende keren tijdens de evolutie gekopieerd was, konden we de veranderingen bestuderen die geleidelijk tot nieuwe functies leiden.”

    Eigenschappen uit het niets

    Een belangrijke onbeantwoorde vraag in Darwins evolutietheorie is hoe nieuwe eigenschappen schijnbaar uit het niets kunnen opduiken. Zulke innovaties lijken tegenstrijdig met het principe van geleidelijke verandering, waarbij bestaande eigenschappen traag evolueren naar een andere vorm. Toch weten we dat er tijdens de evolutie van het leven heel wat “uitvindingen” gebeurden.

    We weten niet goed welke processen aan de basis liggen van deze ‘evolutionaire innovatie’. Eén van de grootste problemen is dat er nagenoeg geen prehistorisch DNA en eiwitten bewaard zijn, zodat men niet kan onderzoeken hoe deze oude exemplaren verschillen van de hedendaagse versies. Dat is vooral jammer omdat we nog steeds niet in detail begrijpen hoe nieuwe stukken DNA en eiwitten ontstaan zijn.

    Prehistorisch DNA en eiwitten nabouwen

    Door een combinatie van de nieuwste technieken in de biologie konden de Leuvense VIB-onderzoekers Karin Voordeckers, Chris Brown en Kevin Verstrepen, in samenwerking met Steven Maere (VIB/UGent) het DNA en de eiwitten van voorhistorische gistcellen nabouwen.

    Steven Maere: “Uit tientallen DNA-codes hebben we via complexe algoritmes de oude DNA-code kunnen voorspellen. Deze stukjes prehistorisch DNA hebben we nagebouwd om zo de overeenkomstige oude eiwitten aan te maken.”

    Karin Voordeckers: “We hebben heel specifiek gezocht naar hoe gisten zich hebben aangepast om verschillende suikers af te kunnen breken. We vonden dat het oer-gen voor het eiwit dat instaat voor de vertering van maltose, een suiker in graan, tijdens de evolutie een aantal keer gekopieerd werd. Het DNA van sommige kopieën is lichtjes gewijzigd, waardoor nieuwe eiwitten ontstonden die andere suikers kunnen afbreken. Door deze veranderingen te modelleren in de overeenkomstige eiwitten begrijpen we nu hoe slechts enkele wijzigingen in het DNA konden leiden tot de ontwikkeling van nieuwe activiteiten in deze eiwitten.”

    De wetenschappers denken dat dit soort verdubbelingen van het DNA heel vaak aan de basis liggen van het ontstaan van schijnbaar “nieuwe” eiwitten. Of, anders gezegd: de jumbojet wordt geleidelijk gebouwd uit een kopie van een reeds bestaand vliegtuig.

    Publicatie:Het artikel werd geschreven door Karin Voordeckers, Chris A. Brown, Kevin J. Verstrepen en anderen. Het verscheen in PLoS Biology, en kan gratis worden gedownload via de volgende link:

    http://www.plosbiology.org/article/info%3Adoi%2F10.1371%2Fjournal.pbio.1…

    ————————-

    http://www.evolutietheorie.be/

  • LiaDonkers

    Weer een gat minder waar je God in kunt stoppen.

  • Frederik D

    :)

    Er worden steeds meer gaten gedicht. Maar omdat er nieuwe kennis ontstaat, onstaan er weer nieuwe vragen en dus nieuwe gaten.

  • Frederik D

    Binnenkort kom je weer aan met Gould. Om jou uit je droom te helpen dat Gould aan jouw kant staat, het volgend artikeltje van hem.

    —————————

    S E P T E M B E R 1 9 8 2

    The claim that creationism is a science rests above all on the plausibility of the biblical flood

    by Stephen Jay Gould

    G.K.CHESTERTON once mused over Noah's dinnertime conversations during those long nights on a vast and tempestuous sea:

    And Noah he often said to his wife

    when he sat down to dine,

    "I don't care where the water goes if

    it doesn't get into the wine."

    Noah's insouciance has not been matched by defenders of his famous flood. For centuries, fundamentalists have tried very hard to find a place for the subsiding torrents. They have struggled even more valiantly to devise a source for all that water. Our modern oceans, extensive as they are, will not override Mt. Everest. One seventeenth-century searcher said: “I can as soon believe that a man would be drowned in his own spittle as that the world should be deluged by the water in it.”

    With the advent of creationism, a solution to this old dilemma has been put forward. In The Genesis Flood (1961), the founding document of the creationist movement, John Whitcomb and Henry Morris seek guidance from Genesis 1:6-7, which states that God created the firmament and then slid it into place amidst the waters, thus dividing “the waters which were under the firmament from the waters which were above the firmament: and it was so.” The waters under the firmament include seas and interior fluid that may rise in volcanic eruptions. But what are the waters above the firmament? Whitcomb and Morris reason that Moses cannot refer here to transient rain clouds, because he also tells us (Genesis 2:5) that “the Lord God had not caused it to rain upon the earth.” The authors therefore imagine that the earth, in those palmy days, was surrounded by a gigantic canopy of water vapor (which, being invisible, did not obscure the light of Genesis 1:3). “These upper waters,” Whitcomb and Morris write, “were therefore placed in that position by divine creativity, not by the normal processes of the hydrological cycle of the present day.” Upwelling from the depths together with the liquefaction, puncturing, and descent of the celestial canopy produced more than enough water for Noah's worldwide flood.

    Fanciful solutions often generate a cascade of additional difficulties. In this case, Morris, a hydraulic engineer by training, and Whitcomb invoke a divine assist to gather the waters into their canopy, but then can't find a natural way to get them down. So they invoke a miracle: God put the water there in the first place; let him then release it.

    The simple fact of the matter is that one cannot have any kind of a Genesis Flood without acknowledging the presence of supernatural elements…. It is obvious that the opening of the “windows of heaven” in order to allow “the waters which were above the firmament” to fall upon the earth, and the breaking up of “all the fountains of the great deep” were supernatural acts of God.

    Since we usually define science, at least in part, as a system of explanation that relies upon invariant natural laws, this charmingly direct invocation of miracles (suspensions of natural law) would seem to negate the central claims of the modern creationist movement – that creationism is not religion but a scientific alternative to evolution; that creationism has been disregarded by scientists because they are a fanatical and dogmatic lot who cannot appreciate new advances; and that creationists must therefore seek legislative redress in their attempts to force a “balanced treatment” for both creationism and evolution in the science classrooms of our public schools.

    Legislative history has driven creationists to this strategy of claiming scientific status for their religious view. The older laws, which banned the teaching of evolution outright and led to John Scopes's conviction in 1925, were overturned by the Supreme Court in 1968, but not before they had exerted a chilling effect upon teaching for forty years. (Evolution is the indispensable organizing principle of the life sciences, but I did not hear the word in my 1956 high school biology class. New York City, to be sure, suffered no restrictive ordinances, but publishers, following the principle of the “least common denominator” as a sales strategy, tailored the national editions of their textbooks to the few states that considered it criminal to place an ape on the family escutcheon.) A second attempt to mandate equal time for frankly religious views of life's history passed the Tennessee state legislature in the 1970s but failed a constitutional challenge in the court. This judicial blocking left only one legislative path open – the claim that creationism is a science.

    The third strategy had some initial success, and “balanced treatment” acts to equate “evolution science” and “creation science” in classrooms passed the Arkansas and Louisiana legislatures in 1981. The ACLU has sued for a federal-court ruling on the Louisiana law's constitutionality, and a trial is likely this year. The Arkansas law was challenged by the ACLU in 1981, on behalf of local plaintiffs (including twelve practicing theologians who felt more threatened by the bill than many scientists did). Federal Judge William R. Overton heard the Arkansas case in Little Rock last December. I spent the better part of a day on the stand, a witness for the prosecution, testifying primarily about how the fossil record refutes “flood geology” and supports evolution.

    On January 5, Judge Overton delivered his eloquent opinion, declaring the Arkansas act unconstitutional because so-called “creation science” is only a version of Genesis read literally – a partisan (and narrowly sectarian) religious view, barred from public-school classrooms by the First Amendment. Legal language is often incomprehensible, but sometimes it is charming, and I enjoyed the wording of Overton's decision: “…judgment is hereby entered in favor of the plaintiffs and against the defendants. The relief prayed for is granted.”

    Support for Overton's equation of “creation science” with strident and sectarian fundamentalism comes from two sources. First, the leading creationists themselves released some frank private documents in response to plaintiffs' subpoenas. Overton's long list of citations seems to brand the claim for scientific creationism as simple hypocrisy. For example, Paul Ellwanger, the tireless advocate and drafter of the “model bill” that became Arkansas Act 590 of 1981, the law challenged by the ACLU, says in a letter to a state legislator that “I view this whole battle as one between God and anti-God forces, though I know there are a large number of evolutionists who believe in God…. it behooves Satan to do all he can to thwart our efforts…” In another letter, he refers to “the idea of killing evolution instead of playing these debating games that we've been playing for nigh over a decade already” – a reasonably clear statement of the creationists' ultimate aims, and an identification of their appeals for “equal time,” “the American way of fairness,” and “presenting them both and letting the kids decide” as just so much rhetoric.

    The second source of evidence of the bill's unconstitutionality lies in the logic and character of creationist arguments themselves. The flood story is central to all creationist systems. It also has elicited the only specific and testable theory the creationists have offered; for the rest, they have only railed against evolutionary claims. The flood story was explicitly cited as one of the six defining characteristics of “creation science” in Arkansas Act 590: “explanation of the earth's geology by catastrophism, including the occurrence of a worldwide flood.”

    CREATIONISM reveals its nonscientific character in two ways: its central tenets cannot be tested and its peripheral claims, which can be tested, have been proven false. At its core, the creationist account rests on “singularities” – that is to say, on miracles. The creationist God is not the noble clock winder of Newton and Boyle, who set the laws of nature properly at the beginning of time and then released direct control in full confidence that his initial decisions would require no revision. He is, instead, a constant presence, who suspends his own laws when necessary to make the new or destroy the old. Since science can treat only natural phenomena occurring in a context of invariant natural law, the constant invocation of miracles places creationism in another realm.

    We have already seen how Whitcomb and Morris remove a divine finger from the dike of heaven to flood the earth from their vapor canopy. But the miracles surrounding Noah's flood do not stop there; two other supernatural assists are required. First, God acted “to gather the animals into the Ark.” (The Bible tells us that they found their own way.) Second, God intervened to keep the animals “under control during the year of the Flood.” Whitcomb and Morris provide a long disquisition on hibernation and suspect that some divinely ordained state of suspended animation relieved Noah's small and aged crew of most responsibility for feeding and cleaning (poor Noah himself was 600 years old at the time).

    In candid moments, leading creationists will admit that the miraculous character of origin and destruction precludes a scientific understanding. Morris writes (and Judge Overton quotes): “God was there when it happened. We were not there…. Therefore, we are completely limited to what God has seen fit to tell us, and this information is in His written Word.” Duane Gish, the leading creationist author, says: “We do not know how the Creator created, what processes He used, for He used processes which are not now operating anywhere in the natural universe…. We cannot discover by scientific investigation anything about the creative processes used by God.” When pressed about these quotes, creationists tend to admit that they are purveying religion after all, but then claim that evolution is equally religious. Gish also says: “Creationists have repeatedly stated that neither creation nor evolution is a scientific theory (and each is equally religious).” But as Judge Overton reasoned, if creationists are merely complaining that evolution is religion, then they should be trying to eliminate it from the schools, not struggling to get their own brand of religion into science classrooms as well. And if, instead, they are asserting the validity of their own version of natural history, they must be able to prove, according to the demands of science, that creationism is scientific.

    Scientific claims must be testable; we must, in principle, be able to envision a set of observations that would render them false. Miracles cannot be judged by this criterion, as Whitcomb and Morris have admitted. But is all creationist writing merely about untestable singularities? Are arguments never made in proper scientific form? Creationists do offer some testable statements, and these are amenable to scientific analysis. Why, then, do I continue to claim that creationism isn't science? Simply because these relatively few statements have been tested and conclusively refuted. Dogmatic assent to disproved claims is not scientific behavior. Scientists are as stubborn as the rest of us, but they must be able to change their minds.

    In “flood geology,” we find our richest source of testable creationist claims. Creationists have been forced into this uncharacteristically vulnerable stance by a troubling fact too well known to be denied: namely, that the geological record of fossils follows a single, invariant order throughout the world. The oldest rocks contain only single-celled creatures; invertebrates dominate later strata, followed by the first fishes, then dinosaurs, and finally large mammals. One might be tempted to take a “liberal,” or allegorical, view of Scripture and identify this sequence with the order of creation in Genesis 1, allowing millions or billions of years for the “days” of Moses. But creationists will admit no such reconciliation. Their fundamentalism is absolute and uncompromising. If Moses said “days,” he meant periods of twenty-four hours, to the second. (Creationist literature is often less charitable to liberal theology than to evolution. As a subject for wrath, nothing matches the enemy within.)

    Since God created with such alacrity, all creatures once must have lived simultaneously on the earth. How, then, did their fossil remains get sorted into an invariable order in the earth's strata? To resolve this particularly knotty dilemma, creationists invoke Noah's flood: all creatures were churned together in the great flood and their fossilized succession reflects the order of their settling as the waters receded. But what natural processes would produce such a predictable order from a singular chaos? The testable proposals of “flood geology” have been advanced to explain the causes of this sorting.

    Whitcomb and Morris offer three suggestions. The first – hydrological – holds that denser and more streamlined objects would have descended more rapidly and should populate the bottom strata (in conventional geology, the oldest strata). The second – ecological – envisions a sorting responsive to environment. Denizens of the ocean bottom were overcome by the flood waters first, and should lie in the lower strata; inhabitants of mountaintops postponed their inevitable demise, and now adorn our upper strata. The third – anatomical or functional – argues that certain animals, by their high intelligence or superior mobility, might have struggled successfully for a time, and ended up at the top.

    All three proposals have been proven false. The lower strata abound in delicate, floating creatures, as well as spherical globs. Many oceanic creatures – whales and teleost fishes in particular – appear only in upper strata, well above hordes of terrestrial forms. Clumsy sloths (not to mention hundreds of species of marine invertebrates) are restricted to strata lying well above others that serve as exclusive homes for scores of lithe and nimble small dinosaurs and pterosaurs.

    The very invariance of the universal fossil sequence is the strongest argument against its production in a single gulp. Could exceptionless order possibly arise from a contemporaneous mixture by such dubious processes of sorting? Surely, somewhere, at least one courageous trilobite would have paddled on valiantly (as its colleagues succumbed) and won a place in the upper strata. Surely, on some primordial beach, a man would have suffered a heart attack and been washed into the lower strata before intelligence had a chance to plot temporary escape. But if the strata represent vast stretches of sequential time, then invariant order is an expectation, not a problem. No trilobite lies in the upper strata because they all perished 225 million years ago. No man keeps lithified company with a dinosaur, because we were still 60 million years in the future when the last dinosaur perished.

    TRUE science and religion are not in conflict. The history of approaches to Noah's flood by scientists who were also professional theologians provides an excellent example of this important truth – and also illustrates just how long ago “flood geology” was conclusively laid to rest by religious scientists. I have argued that direct invocation of miracles and unwillingness to abandon a false doctrine deprive modern creationists of their self-proclaimed status as scientists. When we examine how the great scientist-theologians of past centuries treated the flood, we note that their work is distinguished by both a conscious refusal to admit miraculous events into their explanatory schemes and a willingness to abandon preferred hypotheses in the face of geological evidence. They were scientists and religious leaders – and they show us why modern creationists are not scientists.

    On the subject of miracles, the Reverend Thomas Burnet published his century's most famous geological treatise in the 1680s, Telluris theoria sacra (The Sacred Theory of the Earth). Burnet accepted the Bible's truth, and set out to construct a geological history that would be in accord with the events of Genesis.

    But he believed something else even more strongly: that, as a scientist, he must follow natural law and scrupulously avoid miracles. His story is fanciful by modern standards: the earth originally was devoid of topography, but was drying and cracking; the cracks served as escape vents for internal fluids, but rain sealed the cracks, and the earth, transformed into a gigantic pressure cooker, ruptured its surface skin; surging internal waters inundated the earth, producing Noah's flood. Bizarre, to be sure, but bizarre precisely because Burnet would not abandon natural law. It is not easy to force a preconceived story into the strictures of physical causality. Over and over again, Burnet acknowledges that his task would be much simpler if only he could invoke a miracle. Why weave such a complex tale to find water for the flood in a physically acceptable manner, when God might simply have made new water for his cataclysmic purification? Many of Burnet's colleagues urged such a course, but he rejected it as inconsistent with the methods of “natural philosophy” (the word “science” had not yet entered English usage):

    They say in short that God Almighty created waters on purpose to make the Deluge … And this, in a few words, is the whole account of the business. This is to cut the knot when we cannot loose it.

    Burnet's God, like the deity of Newton and Boyle, was a clock-winder, not a bungler who continually perturbed his own system with later corrections.

    We think him a better Artist that makes a Clock that strikes regularly at every hour from the Springs and Wheels which he puts in the work, than he that hath so made his Clock that he must put his finger to it every hour to make it strike: And if one should contrive a piece of Clockwork so that it should beat all the hours, and make all its motions regularly for such a time, and that time being come, upon a signal given, or a Spring toucht, it should of its own accord fall all to pieces; would not this be look'd upon as a piece of greater Art, than if the Workman came at that time prefixt, and with a great Hammer beat it into pieces?

    Flood geology was considered and tested by early-nineteenth-century geologists. They never believed that a single flood had produced all fossil-bearing strata, but they did accept and then disprove a claim that the uppermost strata contained evidence for a single, catastrophic, worldwide inundation. The science of geology arose in nations that were glaciated during the great ice ages, and glacial deposits are similar to the products of floods. During the 1820s, British geologists carried out an extensive empirical program to test whether these deposits represented the action of a single flood. The work was led by two ministers, the Reverend Adam Sedgwick (who taught Darwin his geology) and the Reverend William Buckland. Buckland initially decided that all the “superficial gravels” (as these deposits were called) represented a single event, and he published his Reliquiae diluvianae (Relics of the Flood) in 1824. However, Buckland's subsequent field work proved that the superficial gravels were not contemporaneous but represented several different events (multiple ice ages, as we now know). Geology proclaimed no worldwide flood but rather a long sequence of local events. In one of the great statements in the history of science, Sedgwick, who was Buckland's close colleague in both science and theology, publicly abandoned flood geology and upheld empirical science – in his presidential address to the Geological Society of London in 1831.

    Having been myself a believer, and, to the best of my power, a propagator of what I now regard as a philosophic heresy, and having more than once been quoted for opinions I do not now maintain, I think it right, as one of my last acts before I quit this Chair, thus publicly to read my recantation…

    There is, I think, one great negative conclusion now incontestably established – that the vast masses of diluvial gravel, scattered almost over the surface of the earth, do not belong to one violent and transitory period…

    We ought, indeed, to have paused before we first adopted the diluvian theory, and referred all our old superficial gravel to the action of the Mosaic flood… In classing together distant unknown formations under one name; in giving them a simultaneous origin, and in determining their date, not by the organic remains we had discovered, but by those we expected hypothetically hereafter to discover, in them; we have given one more example of the passion with which the mind fastens upon general conclusions, and of the readiness with which it leaves the consideration of unconnected truths.

    As I prepared to leave Little Rock last December, I went to my hotel room to gather my belongings and found a man sitting backward on my commode, pulling it apart with a plumber's wrench. He explained to me that a leak in the room below had caused part of the ceiling to collapse and he was seeking the source of the water. My commode, located just above, was the obvious candidate, but his hypothesis had failed, for my equipment was working perfectly. The plumber then proceeded to give me a fascinating disquisition on how a professional traces the pathways of water through hotel pipes and walls. The account was perfectly logical and mechanistic: it can come only from here, here, or there, flow this way or that way, and end up there, there, or here. I then asked him what he thought of the trial across the street, and he confessed his staunch creationism, including his firm belief in the miracle of Noah's flood.

    As a professional, this man never doubted that water has a physical source and a mechanically constrained path of motion – and that he could use the principles of his trade to identify causes. It would be a poor (and unemployed) plumber indeed who suspected that the laws of engineering had been suspended whenever a puddle and cracked plaster bewildered him. Why should we approach the physical history of our earth any differently?

    Copyright © 1982 by Stephen Jay Gould. All rights reserved.

    The Atlantic Monthly; September 1982; Genesis vs. Geology - 82.09; Volume 250, No. 3; page 10-17.

    ——————————-

  • Frederik D

    Wat is er waar van de theorieën van Velikovsky over werelden in botsing? – Frans

    Immanuel Velikovsky werd geboren in 1895 als kind van een welgestelde Russisch-Joodse familie, blonk op het gymnasium uit in Russisch en wiskunde en studeerde medicijnen in Moskou, Edinburg en Montpellier. Daarna emigreerde hij naar het toenmalige Palestina waar hij zijn vrouw ontmoette. Hij ontdekte dat epilepsiepatiënten een afwijkend EEG (elektro encefalogram) hebben – op dit moment de belangrijkste methode om epilepsie vast te stellen.

    Hij vertaalde in zijn eentje bundels wetenschappelijke artikelen van joden in het Hebreeuws voor de net opgerichte Universiteit van Jeruzalem (Einstein hielp hem bij het deel over wis- en natuurkunde), emigreerde in 1939 naar de Verenigde Staten en begon daar met het publiceren van zijn omstreden boeken over kosmologie, mythologie en geschiedenis. In de jaren ’50 en ’60 werd hij in de academische wereld fel bestreden. Zijn uitgever MacMillan werd door de Amerikaanse wetenschappers bedreigd met een boycot en weigerde voortaan zijn boek uit te geven. Uiteraard deed dat zijn verkoopcijfers van zijn werk, vooral onder de New Yorkse intellectuelen die kritisch tegenover de natuurwetenschap stonden, geen kwaad.

    Onder hen en andere leken waren zijn boeken over catastrofes juist immens populair. Velikovsky overleed in 1979 in de Amerikaanse universiteitsstad Princeton.

    Volgens de theorie van Velikovski werd de aarde duizenden jaren geleden geteisterd door de zwervende planeet Venus.

    De theorieën van Velikovsky

    Velikovsky, een gelovige jood en fervent zionist, was niet blij met de grote verschillen tussen wat er toendertijd uit archeologische opgravingen bekend was en de verslagen uit de bijbel. Hij verdiepte zich in de immense verzameling van wereldwijde mythen en legenden over catastrofes die zich in het verre verleden van veel volkeren zouden hebben afgespeeld.

    Beroemde voorbeelden zijn de zondvloedverhalen van de oude Babyloniërs en in de bijbel, de uitgebreide kosmologie van de oude Indiërs met verwoestingen door vuur, stenen uit de hemel, de Maya-legenden en dergelijke.

    Het viel hem op dat deze mythen een opmerkelijke overeenkomst vertoonden en probeerde daarom een astronomische verklaring te bedenken die hem in staat stelde zijn geliefde letterlijke interpretatie van de bijbel overeind te houden.

    In de loop van tientallen jaren ontwikkelde hij een uitermate creatieve (daar zijn vriend en vijand het wel over eens) op catastrofen gebaseerde geschiedenis van het zonnestelsel. Zo veronderstelde hij dat Venus enkele duizenden jaren geleden voortkwam uit de gasreus Jupiter, als komeet langs de aarde scheerde, hierdoor allerlei natuurrampen veroorzaakte, de planeet Mars van een omloopbaan tussen de aarde en Mercurius verjoeg naar zijn tegenwoordige baan (waarbij ook Mars dood en verderf zaaide) en Venus uiteindelijk tot rust kwam in de huidige omloopbaan tussen de aarde en Mercurius.

    Dat dit wel erg onwaarschijnlijk is volgens onze kennis van zwaartekracht en planeetbanen deerde Velikovsky niet. Hij vond namelijk dat de bestaande zwaartekrachtstheorie niet deugt en veronderstelde – net als Einstein in zijn laatste levensjaren op Princeton – dat wat wij waarnemen als zwaartekracht, het gevolg is van de elektromagnetische kracht. Zaken als kosmische bliksemschichten van miljoenen kilometers lang speelden dan ook een hoofdrol in Velikovsky’s werken, waarbij hij met veel kunst- en vliegwerk er in slaagde verklaringen te bedenken voor de bijbelse natuurrampen uit het Oude Testament.

    Nadat Venus los was gebroken uit Jupiter – volgens Velikovsky de verklaring voor de Griekse scheppingsmythe waarin de godin Athene (Minerva bij de Romeinen) uit het hoofd van Zeus (Jupiter bij de Romeinen) werd geboren – kwam deze in de vorm van een komeet op bezoek bij de aarde en haar buitenbuur Mars. De planeet zag er in die tijd volgens Velikovsky uit als een komeet met een grillige staart – als een draak dus. Wat volgens hem verklaarde waarom er zo vaak draken opdoken in oude Maya- en Chinese verhalen.

    Draken komen geregeld terug in Chinese kunst. Volgens Velikovsky omdat ze een herinnering vormen aan de verwoestende planeet Venus.

    Tijdens de passage had de planeet, pardon, komeet een drukke agenda. Zo werd eerst de aarde bedolven onder een laag roestdeeltjes, nodig om de Egyptische plaag van het roodkleurende water te verklaren, gevolgd door een bombardment met meteorieten en een regen van aardolieachtige stoffen die zorgde voor wereldwijde branden en een dichte rookwolk die de zon verduisterde.

    Door de nadering van de planeet werd de Rode Zee drooggelegd waardoor de Israëlieten de droge zeebodem over konden steken. In latere boeken van Velikovsky maakte hij het nog bonter met zwermen sprinkhanen die vanuit de biosfeer van Venus (en dus daarvoor Jupiter) uit het luchtledige op de aarde neerdoken en daarna voor de Israëlieten eetbare koolwaterstoffen, manna, naar beneden liet regenen.

    Door de onzachte ontmoetingen met de aarde en Mars verloor de komeet Venus uiteindelijk zijn staart en veranderde in een planeet. De planeet Mars, die zich daarvoor op de plaats van de planeet Venus bevond, werd vervolgens langs de aarde gestuurd, richtte eveneens veel schade aan en eindigde uiteindelijk in zijn tegenwoordige baan.

    Velikovsky voorspelde, in tegenstelling tot veel anderen, dat Venus erg heet zou zijn en ook nu nog een atmosfeer zou hebben die voornamelijk uit koolwaterstoffen (zoals methaan) bestaat.

    Wat klopt er van de theorieën?

    Jaren na het verschijnen van de boeken van Velikovsky rolden de eerste resultaten van metingen door de Venera-satellieten uit de Sovjet-printers. Van de romantische ideeën van sommigen over Venus bleef niet veel heel. Venus bleek geen paradijselijke oceaanplaneet maar een stomend hete hel. Deze voorspelling van Velikovsky klopte. Als enige.

    Aan de oppervlakte van Venus zijn temperaturen tot vijfhonderd graden Celsius gebruikelijk, voldoende om een loden pijp veranderen in een plasje glinsterend metaal op de bodem. De atmosfeer is een verstikkende soep die honderd keer zo dicht is als onze lucht en bestaat niet uit methaan of andere koolwaterstoffen, maar voor 96% uit kooldioxide en verder voornamelijk zwavelzuur. Kortom: leven zoals wij dat kennen is uitgesloten. Venus is hiermee een geliefd schrikbeeld voor mensen die waarschuwen tegen een uit de hand gelopen broeikaseffect. Als Venus werkelijk uit Jupiter afkomstig was, had er geen kooldioxide in de atmosfeer kunnen zitten. Kooldioxide(CO2), een verbinding van koolstof (C) en zuurstof(O), komt op de voornamelijk uit waterstof bestaande gasreus Jupiter namelijk nauwelijks voor. Koolstof komt op Jupiter voor als methaan(CH4) en zuurstof als water(H2O). Kortom: slecht nieuws voor Velikovsky.

    Latere naar Venus gestuurde missies slaagden er in foto’s van de oppervlakte te maken en radarbeelden samen te stellen. De bodem van Venus is bezaaid met kraters. Zo veel dat deze in een tijdsbestek van miljoenen jaren ontstaan moesten zijn. Venus bestond dus al ver voordat de planeet volgens Velikovsky haar catastrofale capriolen door het zonnestelsel uitvoerde. De genadeslag.

    Wel is Venus de enige planeet die tegen de richting van de draairichting van de omloopbaan (retrograad) in draait. Dit maakt Venus tot een buitenbeentje onder de aardachtige planeten.

    Mars is tien keer zo licht als Venus en de aarde, heeft twee poolkappen bestaande uit kooldioxide en waterijs en dikke lagen permafrost. Zowel de permafrost als de poolkappen zouden miljarden jaren blootstelling aan de zon op de plaats van Venus onmogelijk hebben kunnen overleefd en reeds lang geleden in de kosmos zijn verdwenen.

    Zelfs op basis van Velikovski’s geliefde archeologische inscripties werd aangetoond dat er al waarnemingen van Venus bestonden die dateerden van duizenden jaren vóór de woeste rondedans zou hebben plaatsgevonden. En werd er geen enkel geologisch bewijs gevonden voor regens van roestdeeltjes, aardolie of wereldwijde branden.

    En de zwaartekracht? Meer dan vijftig jaar nadat Einstein stierf terwijl hij zich stukbeet op een verenigde veldtheorie is er nog steeds geen theorie die ons vertelt wat zwaartekracht op kwantumniveau eigenlijk is. Van de elektromagnetische kracht is door Abdussalam en Weinberg vastgesteld dat deze bij hoge energieniveaus samensmelt met de zwakke kernkracht tot de elektrozwakke kernkracht.

    Kortom: Velikovsky was een fenomenale verhalenverteller, maar vanuit wetenschappelijk oogpunt had hij zich beter met geneeskunde bezig kunnen blijven houden.

    —————————-

    http://www.faqt.nl/vraag-en-antwoord/wat-is-er-waar-van-de-theorieen-van-velikovsky-over-werelden-in-botsing/

  • Sfred+

    1 ding ben ik het met hem eens, ik heb ook mijn twijfels bij de bestaande zwaartekrachtstheorie. Uitleggen onderbouwen kan ik het niet, het is gewoon een gevoel.

  • CU

    Adam ontdekte al de zwaartekracht dat de rivieren van hoog naar laag stroomde.

  • Frederik D

    Is er wel een zwaartekrachttheorie? Ik bedoel: schuilt er achter de voortreffelijke zwaartekrachtformules wel een theorie?